Schoolbesturen, neemt u een vakleerkracht in dienst?

Na vele jaren lobbyen van iedereen die het bewegingsonderwijs een warm hart toedraagt, is er dan eindelijk een signaal dat het bewegingsonderwijs als vak weer serieuzer wordt genomen. Met ingang van 2017 worden scholen verplicht minimaal twee lessen bewegingsonderwijs per week aan te bieden door een bevoegde leerkracht bewegingsonderwijs. Dat mag best wel een behoorlijke revolutie worden genoemd.

Huidige situatie
In de huidige situatie bestaat er voor geen enkel leer- of vormingsgebied in het primair onderwijs een verplichte lessentabel. De Wet Primair Onderwijs geeft wel aan welke vakgebieden moeten worden gegeven, maar zegt niets over het aantal uren. Er moet echter wel voldoende tijd ingepland worden om de algemene doelstelling en de kerndoelen te realiseren. Met de straks verplichte 2 uur bewegingsonderwijs, zet de overheid dus hele duidelijke kaders neer. Logisch ook gezien de vergoeding die er volgens de modelverordening onderwijshuisvesting beschikbaar is voor de huisvesting van het bewegingsonderwijs. De vergoeding voor de 6 tot en met 12-jarigen  is voor het basisonderwijs 1.5 uur en voor het speciaal basisonderwijs 2.25 uur klokuur per week. Gemeenten worden er dus aan gehouden voorzieningen voor bewegingsonderwijs te leveren, zonder daarbij van het onderwijs de garantie te hebben, dat ze het ook daadwerkelijk gebruiken.

Toekomst
Met de verplichte invoering van de twee lessen bewegingsonderwijs in het primair onderwijs wordt dus een behoorlijke stap gemaakt. In Europees verband wordt de lidstaten drie lessen per week aanbevolen. Hopelijk wordt dat de volgende stap. De waarde van een gezonde bewegingsontwikkeling is groot. Kinderen ontwikkelen diverse levenslange competenties die men ook in het burgerleven goed kan gebruiken. Bovendien beweren diverse wetenschappelijke onderzoeken dat bewegen van positieve invloed is op de concentratie en daarmee het leervermogen van kinderen. Het nut van goed bewegingsonderwijs staat wat dat betreft buiten kijf.

Deze stap om structureel het bewegen beter op de kaart van het primair onderwijs te krijgen, kon ook welhaast niet uitblijven. De afgelopen jaren zijn er ontelbare kleine en grote projecten, nationaal en Europees, geweest om kinderen binnen en buiten school beter en meer te laten bewegen. Prachtig, maar zonder structurele verankering en vervolg van deze projecten. Het is bovendien uitermate lastig gebleken om de effecten van dergelijke impulsen te meten. Uiteindelijk zal het in de bewustwording om een gezonde leefstijl te hanteren ongetwijfeld van nut zijn geweest. Echter de groep die het bewegen het hardst nodig heeft, loopt niet voorop in het gebruik van het aanbod. Zeker niet daar waar het een buitenschools aanbod betreft.

Daarom is de stap die nu genomen wordt, in de juiste richting.  Besturen worden verplicht (vak)leerkrachten voor de scholen aan te stellen. De criticasters zullen zeggen dat het aan de late kant is, zeker als men bedenkt dat het maar liefst zestien jaar is na het invoeren van de wet waarin hetzelfde werd geregeld!

Maar goed, deze stap kan voor diverse betrokkenen consequenties hebben, afhankelijk van de keuzes die gemaakt worden. Bijvoorbeeld wel of geen vakleerkracht en bij wie komen ze in dienst?

Unknown-4

Vakleerkracht of bevoegde groepsleerkracht?
In de afgelopen jaren hebben veel schoolbesturen de keuze gemaakt geen vakleerkracht bewegingsonderwijs meer aan te stellen, maar het vak te laten geven door de groepsleerkracht met een specialisatie LO. Als er binnen scholen al een eerste, dan wel tweede les is, dan wordt deze nu nog vaak door de onbevoegde groepsleerkracht uitgevoerd, hetgeen vaak leidt tot potjes trefbal of slagbal. In veel andere gevallen wordt de eerste en/of tweede les uitgevoerd door een medewerker van het lokale sportbedrijf in het kader van bijvoorbeeld de regeling ‘ Sport en Bewegen in de buurt’.

Nu er nadrukkelijker keuzes worden gemaakt zullen besturen en directies goed moeten nadenken over wie de vaklessen LO gaat verzorgen. Onderstaand argumenten op basis waarvan besturen mijns inziens tot een keuze moeten komen.

  • Uit mijn eigen ervaring weet ik dat, ook al is hij/zij bevoegd, door de enorme diversiteit aan taken van de groepsleerkracht het welhaast onmogelijk is om altijd goed voorbereid aan het begin van de les te staan. Ook al proberen methodes zoals ‘Bewegen samen regelen’ daarin te ondersteunen. Het geven van een gymles is een apart vak. Hetzelfde geldt naar mijn mening overigens voor de creatieve vakken.
  • Laat mensen doen waar ze goed in zijn. Een groepsleerkracht is een generalist en kan nooit overal goed in zijn. Het boek ‘ Doe waar je goed in bent’ van (de helaas overleden) Leo van der Burg, is in dat kader overigens heel aardig om te lezen. Coaches als Co Adriaanse en Toon Gerbrands onderschrijven zijn visie.
  • Tijdens het Mulierdebat in april van dit jaar in samenwerking met de KVLO presenteerde Jo Lucassen de uitkomsten van de nulmeting bewegingsonderwijs. Hij liet zien dat de onderwijsaanpak voor bewegingsonderwijs op scholen die alleen vakleerkrachten inzetten op veel punten significant beter is dan bij basisscholen die alleen werken met groepsleerkrachten. Veel scholen hebben de wens bewegingsonderwijs te veranderen. Het meer inzetten van vakleerkrachten is de meest gewenste verandering. Dat geldt overigens met name voor de scholen die al een vakleerkracht hebben. Dit is ondersteunend aan de voorgaande punten.
  • OCW en de PO-raad streven in actielijn 3.3 ‘breed samengestelde schoolteams’ van het bestuursakkoord naar 30% wo-bachelor of een hbo-/ universitaire master geschoolde leerkrachten in 2020. Daarvan uitgaande is het logisch dat er ingezet wordt op de aanstelling van vakleerkrachten daar waar het gaat om streven naar kwaliteit, zeker afgezet naar de uitkomsten van de bovengenoemde nulmeting door het Mulierinstituut.
  • Het is de kracht van het primair onderwijs dat er in teamverband wordt gewerkt. Als de ‘collectieve kwaliteit’ van de teams toeneemt, komt dat de onderwijskwaliteit ten goede. Dat kan door meer diversiteit in de samenstelling van de teams te organiseren, zoals geformuleerd in actielijn 3.3. Sommige leraren richten zich op hun specialisme, zoals de taal- of rekendidactiek of in het omgaan met zorgleerlingen, enzovoort. Diversiteit leidt tot een verdeling van taken en als mensen beter zijn toegerust voor die specifieke taak, leidt het tot een kwaliteitsverbetering. Zo ontwikkelen scholen zich tot leergemeenschappen en tot professionelere organisaties. Waar het al heel normaal is dat er een reken- of taalcoördinator is, is het nog zeer vernieuwend als een school een coördinator bewegingsonderwijs of gezonde leefstijl heeft. Toch zou dat met het belang dat door de politiek wordt gehecht aan bewegen en gezondheid, een hele normale gang van zaken zijn.
  • In actielijn 1.2 streeft het bestuursakkoord naar ‘talentontwikkeling voor elk kind’. De afgelopen jaren is er fors ingezet op leerlingen met een leerachterstand. Daarbij zijn de kinderen met een motorische leerachterstand toch echt vergeten, is mijn stellige overtuiging. Nu is het tijd voor de ontwikkeling van talenten. Het ontwikkelen van talent moet mijns inziens gebeuren door specialisten, hetgeen prima aansluit bij 3.3 uit het bestuursakkoord. De ontwikkeling van de talenten van kinderen met een wat minder motorische vaardigheid, moet in dat kader ook gebeuren door specialisten, zo heeft de speciale aandacht voor kinderen met een cognitieve leerachterstand bewezen. Dat kan een vakleerkracht in 99% van de gevallen beter dan de groepsleerkracht.

Conclusie
Wanneer je als bestuurder denkt als een sociaal ondernemer en wil dat de klant voor één van jouw scholen kiest, dan kies je ervoor om optimale kwaliteit te leveren. Zeker nu de inspectie meer en meer de meetlat langs het onderwijs legt. Mijn voorkeur gaat derhalve uit naar een echte vakleerkracht bewegingsonderwijs, opgeleid aan één van de Academisch voor Lichamelijke Opvoeding in Nederland.

Organisatorisch zal dat enige consequenties hebben. Financieel gezien kunnen scholen zich geen dubbele bezetting op de groepen veroorloven. Op het moment dat de vakleerkracht zijn les geeft, gaat dat ten koste van de werktijdfactor van de groepsleerkracht. In die tijd kan men overigens prima andere taken doen vanuit het ontdubbelen. Bovendien zien we in het primair onderwijs zo langzamerhand een beweging naar een andere onderwijsorganisatie. Organisaties met een gedifferentieerd functiehuis met daarin naast leerkrachten ook onderwijsassistenten en leerkrachtondersteuners. De ontwikkeling van de ‘TOM-scholen’ en de ‘Slimfit-scholen’ zijn daar mooie voorbeelden van en bieden ruimte voor specialisten, waaronder de bewegingsspecialist of de specialist gezonde leefstijl. De naam doet er niet toe.

De vakleerkracht in dienst van het schoolbestuur of het sportbedrijf?

Het aantal vakleerkrachten binnen het bewegingsonderwijs werkzaam verschilt per regio in Nederland enorm. Volgens de tekst uit het sectorakkoord PO wordt er in de grote steden veel gebruik gemaakt van vakleerkrachten (78% in de grote steden versus 7%–28% in andere regio’s) en zijn er met name buiten de Randstad maar weinig bevoegde (vak)leerkrachten werkzaam in het basisonderwijs. Dat heeft niets te maken met het aantal beschikbare leerkrachten. Ieder jaar studeren er meer dan voldoende af aan één van de Academies.

Dit als uitgangspunt nemend en wetende dat grote delen van Nederland te maken hebben met een bevolkingskrimp, zullen veel schoolbesturen niet staan te trappelen om vakspecialisten in dienst te nemen, terwijl in dienst zijnde groepsleerkrachten ‘op de bank’ wachten. Nieuwe aanstellingen brengen immers allerlei wettelijke verplichtingen met zich mee in een onzekere periode en zijn bedrijfsmatig gezien onverantwoord. De PO-raad en het ministerie van OCW zijn bereid om organisaties en regio’s met een ambitie te ondersteunen en dergelijke vraagstukken mede op te lossen. Het kan bijvoorbeeld de helpende hand bieden aan krimpregio’s.

Op basis van mijn eigen ontwikkelde inzicht in de laatste jaren zijn er een aantal argumenten die prediken voor de aanstelling bij een sportbedrijf of andere externe werkgever.

  • Ik denk dat het bewegingsonderwijs de afgelopen jaren dat is uitgevoerd door sportbedrijven, aan variëteit heeft gewonnen onder invloed van de doelstelling van diverse projecten, zoals de BOS en de Impuls brede school, sport en cultuur. Variëteit wil nog niet altijd zeggen ‘Kwaliteit’, maar mijns inziens is er wel meer aandacht besteedt om het bewegingsplezier te verbeteren. Hetgeen van belang is voor toekomstig bewegingsgedrag van mensen.
  • Sportbedrijven zijn de uitvoerders van het sportbeleid. Door als schoolbestuur met hen samen te werken, zit men altijd op de eerste rij als het gaat om nieuwe projecten ter aanvulling op het regulier bewegingsonderwijs. Dat past prima in de rol van de basisschool binnen de ambitie van actielijn 4.2 ‘Gezonde kinderen die meer bewegen in en rondom schooltijd’ te bewerkstelligen.  Of het nu gaat om schools of naschools aanbod. De vakleerkracht is daarmee vaak ‘het gezicht’ voor de kinderen uit de wijk als het gaat om sport en bewegen. Sport Fryslan is bijvoorbeeld een partij die veel vakleerkrachten in dienst heeft en die werken op school en in de wijk.
  • Schoolbesturen die de vakleerkrachten niet in dienst te nemen, maar ze inhuren via het sportbedrijf, kiezen weliswaar voor een iets duurdere constructie, maar kunnen bij slecht functioneren van een leerkracht zonder verplichtingen het probleem bij de werkgever laten.
  • Binnen de sportbedrijven werken de vakleerkrachten veel intensiever samen met elkaar,  wisselen kennis en ervaring uit en ontwikkelen nieuwe producten en projecten. Dit mede onder invloed van de opdrachtgevers van sportbedrijven, zijnde veelal de gemeente. Gemeenten vragen sportbedrijven immers steeds meer zelf de broek op te houden. Daardoor wordt het commercieel vermogen van de sportbedrijven aangesproken en daarmee wordt de drang om een actueel, aantrekkelijk en up to date aanbod te leveren steeds groter. Dit komt ten goede aan de klant, zijnde de school en kinderen.

Aanstellingen via het sportbedrijf kunnen volgens mij ook een aantal nadelen hebben:

  • Sportbedrijven zijn niet gebonden aan de CAO onderwijs. Sportbedrijven schalen de HBO geschoolde vakleerkrachten soms in als een MBO’er, hetgeen toch gauw een paar honderd euro in de maand scheelt voor de werknemer. Moreel en qua arbeidsvoorwaarden is dit niet toe te juichen. Dergelijk gedrag van sportbedrijven zal mede onder invloed zijn van het feit dat gemeentes de sportbedrijven dwingen om financieel steeds minder afhankelijk van hen te worden.
  • Inhuren is veelal iets duurder, zeker door de component BTW die schoolbesturen niet kunnen verrekenen. Wellicht dat in het streven naar vernieuwing en kwaliteit de belastingdienst nog eens naar dit aspect kan kijken.

Conclusie
Besturen die echt het geloof hebben dat bewegen bijdraagt aan de competentie- en leerontwikkeling van kinderen zullen kiezen voor een aanstelling binnen de eigen organisatie. Dit vanwege het feit dat een goed beweegaanbod direct van invloed is op de cognitieve ontwikkeling van kinderen en daarmee de opbrengsten van de cognitieve vakken. Bovendien is het vanzelfsprekend dat je als verantwoordelijke zoveel mogelijk invloed wilt hebben op de kwaliteit van het product dat je levert. En waarom zou bewegingsonderwijs daarom anders behandeld worden dan taal of rekenen? De vakken waarlangs door het ministerie ieder jaar de meetlat wordt gelegd.

Het opnemen in het team van de school kan ook als voordeel hebben dat het algehele sportklimaat op de school zich verbetert en er meer integraliteit ontstaat.

Gezien de huidige bedrijfsmatige situatie bij besturen in veel regio’s is er uiteraard ook begrip voor op te brengen als men kiest voor een meer behouden oplossing en kiest voor externe inhuur. Hierbij steeds uitgaand van de inzet van een vakleerkracht.

In een volgend artikel de gevolgen op het gebied van organisatie en huisvesting als er een verplichting komt over te stappen naar 3 gymlessen in de week.